Marielle Schram

eerlijkheid als methode

Sommige kunstenaars moet je bezoeken voor je over hen schrijft. Niet om informatie te verzamelen, maar om te begrijpen hoe de lucht in hun atelier aanvoelt. Marielle Schram is zo iemand. Dit stuk ontstond uit een gesprek. De rest deed het werk zelf.

Het brons dat wacht

Ze begint met het brons. Of eigenlijk: ze begint met wat het brons haar leert over zichzelf. Een klein beeldje, het lievelingswerk van de reeks die ze al een tijdje meedraagt, is nu in was gegoten in Spanje, bij een beeldhouwster met een atelier vlakbij. Ze is het aan het leren - het gieten, het bijwerken, het hele trage proces dat aan het definitieve materiaal voorafgaat. Jezus, zegt ze, het is zoveel werk. Gigantisch veel werk. En ze lacht, niet ongelukkig, maar met de herkenning van iemand die net begrepen heeft waarom beeldhouwers die stap uit handen geven. “De voeling met de materie,” zegt ze, “dát is het leuke. De rest is leercurve.”

Het is een goed begin van een gesprek. Niet omdat het onthullend is, maar omdat het precies de juiste afstand heeft: ze is middenin iets, niet er bovenop. Ze legt niet uit, ze denkt hardop. En dat blijkt de manier te zijn waarop Marielle Schram altijd werkt - in het werk, niet ernaast.

New York, Mexico City, Londen

De academie in Tilburg, in de jaren tachtig. Een vijfjarige opleiding tekenen en schilderen. Daarna les geven, maar niet lang, want het leven had andere plannen. New York, even. Dan Mexico City, drie jaar. Dan Londen, waar ze bleef - voor het werk van haar man, zegt ze, maar ook omdat ze er bleef hangen op de manier waarop je blijft hangen op plaatsen die je laten bestaan. Ze tekende en schilderde de hele tijd. Ze gaf les aan de zijlijn. Ze was lid van artistencollectieven, zat jarenlang in een coöperatie die een eigen galerieruimte runde, exposeerde bij open calls in heel Londen.

Dat Engelse circuit heeft iets gevormd in haar houding tegenover taal en titels. In Nederland was ze jaren untitled-kunstenaar - geen titel, gewoon werk. In Londen zei men haar dat dat geen uitnodiging was om te kijken. Ze begon titels te geven, ontdekte dat je ze meervoudig interpretabel kon houden, raakte er zelfs van gecharmeerd. Nu vindt ze, als ze eerlijk is, dat een goed gekozen titel iets opent in plaats van sluit. Maar de reflex om te zwijgen, om het werk voor zichzelf te laten spreken zonder de bemiddeling van woorden - die is gebleven.

Verf die iets anders wil

Schilderen is haar eerste liefde. Dat zegt ze zonder aarzeling, en je hoort dat het geen rangschikking is maar een feit over de materialen zelf: verf is voor haar zo expressief van aard dat het abstracte denken er vanzelf in gedijt. De textuur van verf vraagt iets anders dan potlood of klei. Ze verliezen zichzelf elk op hun eigen manier.

De tekeningen staan autonoom - ze zijn geen studie voor schilderijen, geen voorstadium van iets anders. Ze werkt altijd met losse bladen, nooit in een schetsboek. Want ze wil kunnen schuiven, de bladen naast elkaar leggen, naar elkaar hangen, de dialoog tussen de werken zien zonder dat het boek de volgorde dicteert. Als je bovendien veel materialen door elkaar gebruikt - en Schram doet dat consequent - heb je geen geduld om te wachten totdat het in een schetsboek droog is. Dat is, zegt ze met een rechttoe-rechtaan eerlijkheid, eigenlijk heel praktisch.

Maar de praktische reden verhult iets diepers. De losse bladen gaan ook een andere relatie aan met onvolledigheid. Ze hangen. Ze reageren op elkaar. Ze kunnen na een jaar in een doos verdwijnen en er dan toch weer uitkomen, net lang genoeg bewaard totdat ze goed zijn - of net niet. Sommige werken komen terug in een collage, andere verdwijnen voorgoed. Ze houdt ze tegen het licht totdat ze weet wat het is.

De vrouw bij het raam

De figuur in haar werk is van het type dat verdwijnt als je te lang kijkt.

Een van de werken op papier toont een zittende gedaante, half opgelost in verticale zwarte strepen - verf of houtskool, dik en ritmisch aangebracht, als boomstammen of regensporen. De ondergrond is een pagina uit een boek: Engels lettertype, zichtbaar maar onleesbaar onder de lagen verf en collage. De figuur draagt oranje, een warme kern die oplicht tegen al dat zwart en beige, maar het gezicht is weggewerkt, vervangen door een wit vlak. Ze is er en ze is er niet. Je kijkt naar iemand die aan het verdwijnen is, of net aankomt - de richting is niet gegeven.

Die dubbelzinnigheid is niet een trucje. Ze herinnert aan Edvard Munch, die Schram al koestert sinds de jaren tachtig - de eerste tentoonstelling die ze van hem zag bracht haar tot tranen - maar ook aan de latere Käthe Kollwitz, in de gedrongen naar-binnen-gekeerde houding van het lichaam. En in de gelaagdheid zelf, de gedrukte taal onder het beeld, de tekst die draagt zonder gelezen te worden, klinkt iets door van Anselm Kiefer: alsof het beeld uit de taal oprijst, of er langzaam in terugzakt.

De serie die ze maakte rond het thema van de vrouw bij het raam - geïnspireerd door Munch, door de oude schildertraditie van Vermeers vrouw die een brief leest, door de grens tussen binnenwereld en buitenwereld - laat zien hoe dat werkt. Ze begon vanuit één idee: een vrouw, in gedachten verzonken, handen in de schoot, bij het raam. De beweging van gedachten die komen en gaan, het gevoel soms te verdwijnen, of net heel erg aanwezig te zijn. Vanuit dat ene vertrekpunt groeide de serie. Ze werkte aan meerdere doeken tegelijk - want verf droogt, en je hebt iets anders nodig in de wachttijd. Ze verloor zich in het beeld. Ze dacht niet: nu zet ik haar hier en dan verdwijnt ze naar links. Ze dacht: de achtergrond dringt naar voren en ik laat het toe. Op die manier - organisch, zonder compositieplan - zijn werken ontstaan die je als stripverhaal kunt lezen in twee richtingen: de persoon die verdwijnt in de kleur, of de persoon die eruit tevoorschijn komt. Beide lezingen zijn eerlijk.

Ze heeft moeite, zegt ze, met werk dat te boem is. Te enkelvoudig. Te snel uitgelegd. Ze wil eerlijkheid in haar werk - dat woord keert keer op keer terug in het gesprek, als een soort professionele geloofsbelijdenis - maar eerlijkheid betekent voor haar niet eenduidigheid. Je kunt iets van twee kanten zien en nog steeds eerlijk zijn. In haar optiek. Maar je bent een keer...

Ze maakt de zin niet af. Ze hoeft hem niet af te maken.

Arme materialen, vrije geest

De sculpturen zijn de jongste discipline en de meest vrije. En ze zijn, in hun materiaalgebruik, onmiskenbaar verwant aan de Arte Povera - die Italiaanse beweging uit de jaren zestig die edele kunst maakte van arme materialen, die de hiërarchie tussen grondstoffen en kunstobject opbrak door te werken met wat voorhanden was: steen, hout, touw, doek, aarde. Bij Schram: draad, folie, tape, touw, linnen, zelfdrogende klei, lava, kurk. Materialen die niets kosten en alles vragen. Ze combineert ze niet om goedkoop te zijn, maar omdat deze stoffen een eerlijkheid hebben die duurder materiaal soms mist. Ze zeggen wat ze zijn.

Er staat een wit figuur op een ruwe steen. Niet groot - je kunt het oppakken met één hand. Het is gemaakt van folie en tape, en de vouwlijnen zijn niet weggewerkt: ze zitten in het oppervlak zoals rimpels in een vel papier dat ooit iets anders was. Het hoofd is iets te groot voor het lichaam. De benen zijn dun en verankerd tegelijk. Het staat - en dat zelfstandig staan is geen toevalligheid. Ze wil dat de beelden op eigen benen kunnen staan, zegt ze. Opraapbaar, neerzetbaar, draagbaar. Ze moeten iets meedragen zonder eronder te bezwijken.

Achter de figuur, op de muur, een rode schets in potlood - een ander lichaam, losser, meer beweging, meer vlees. Niet de studie voor het beeld, niet de voorbereiding. Eerder het omgekeerde: de energie die het beeld heeft afgegeven toen het stilviel. De rode lijn is wat er overblijft als je iets probeert vast te zetten en het toch ontsnapt. Die twee samen - het witte gestolde figuur en zijn rode, beweeglijke schaduw - zeggen meer over Schrams werkwijze dan elke uitleg zou kunnen. Het ene volgt uit het andere. Het ene is nooit af zonder het andere.

De steen daaronder is geen voetstuk. Voetstuk heeft te veel connotaties, zegt ze - iemand verheffen, afstand creëren. Voor haar is de basis een deel van het beeld. Zij hoort erbij. Als ze er niet bij hoort, doen we het niet. Dan is het is gewoon grond.

Ze heeft nooit een sculpturenopleiding gevolgd. En dat maakt haar vrij op een manier die ze in schilderen en tekenen, ondanks alle jaren ervaring, niet meer zo onbevangen kan bereiken. De opleiding heeft haar geleerd wanneer ze moet stoppen - vijf jaar gestudeerd om te weten wanneer ik moet stoppen, zegt ze - maar die kennis is ook een rem. Bij de beelden weet ze niet genoeg om geremd te worden. Ze is alleen maar nieuwsgierig.

Opnieuw beginnen

In 2024 keerde Schram terug naar Nederland na meer dan dertig jaar. Breda is nieuw voor haar als stad - de contacten, de galeries, het netwerk dat ze in Londen langzaam had opgebouwd, is hier niet vanzelfsprekend aanwezig. Ze moet opnieuw beginnen. Maar ze zegt het zonder bitterheid. Ze zegt het als iemand die weet dat het werk er altijd al was, en dat de rest een kwestie van geduld is.

In juni 2026 toont ze haar eerste Nederlandse solotentoonstelling in het Princenhaags Museum in Breda. Voor haar is het een visitekaartje - niet in de commerciële zin, maar in de letterlijke: dit is wie ik ben, dit is hoe ik werk, dit is wat ik te zeggen heb. Ze wil een tekst, die ze mee kan nemen naar galeries die ze interessant vindt. Niet om zichzelf aan te prijzen, maar om het gesprek te kunnen beginnen.

Het gesprek, niet de uitleg. Dat onderscheid is haar serieus.

Door Yves Joris, april 2026